logo volh

De geschiedenis van Boerderij "De Croon"

Op boerderij de Croon kregen de eerste jongens onderdak en onderwijs. In het boek "Geschiedenis van Heer" is een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van het herenhuis "Eyll "en de bijdehorende boerderij de "Croon".

Schrijver: Venne van de J.M.
Titel: Geschiedenis van Heer
Uitgever: Gemeentebestuur van Heer, Heer, 1957.
Standaardwerk over de geschiedenis van de voormalige gemeente Heer.

DE CROON.


Afb. 10. Boerderij "De Croon"


Afb. 11. Het Herenhuis "Eyll"


Dit goed bestaat thans uit een boerderij en een buitenhuis.
Het herenhuis, uit baksteen opgetrokken en in recente tijd omgedoopt in "Huize Eyll", dateert uit de 17e, de voorgevelversiering uit de 18e eeuw.
Het is naar alle waarschijnlijkheid gebouwd door een lid der familie van Eyll (afb. 10, 11).
De voorlaatste eigenaar Mr J. van Heyst heeft dit buitenhuis op piëteitvolle wijze gerestaureerd. Zijn zoon de hr Max van Heyst gaf ons allerhande inlichtingen, omtrent gebouw en omgeving hij een bezichtiging daarvan.

De ingang van dit fraaie herenhuis brengt de bezoeker onmiddellijk in een ruime vestibule, waarvan de muren c. 1800 beschilderd zijn met vogels en dieren.
Tegenover de deur is de tegelvloer gedeeltelijk ver-vangen door hout en aan de Noordzijde van de wand is een houten betimmering aangebracht. De traditie wil, dat hier een altaar zou gestaan hebben.
Aan de rechterzijde der vestibule ligt een grote zaal, waarvan de wanden zijn versierd met zeer kunstzinnig stucwerk gesigneerd: „Gagini invenit et sculpsit 1789'.

Van deze zelfde kunstenaar kan men nog een ander werk bewonderen in een der vertrekken van het Maastrichtse stadhuis. Dit stucwerk is niet voor het stadhuis vervaardigd, doch werd voor enkele tientallen jaren daarheen overgebracht en is afkomstig van een particulier huis te Maastricht.
Het stucwerk in genoemde zaal bestaat, de schoorsteen inbegrepen, uit elf meest symbolische taferelen n.l.: de muziek, de beeldhouwkunst, de dichtkunst, de schilderkunst en de keramiek, de jacht, de visserij, een badscene, landschappen en gezichten op gebouwen waartussen allegorische voorstellingen o.a. van het huwelijk.


Gaginizaal 12sm
afb.12.
  Gaginizaal 13sm
afb.13.
  Gaginizaal 16sm
afb.16.


afb.14.


afb.15.

In een der taferelen zijn twee medaillons in stucwerk aangebracht, wellicht de hoofden voorstellend van twee bewoners van het huis (afb. no 12—16).

Petrus Nicolaas Gagini werd geboren op 30 Maart 1745 te Bissone in het Italiaanse gedeelte van Zwitserland aan het meer van Lugano.
Hij was dus Zwitser en geen Italiaan, waarvoor hij tot dusver gehouden werd. Hij heeft tussen 1770 en 1809 o.m. gewerkt te Aken, Eupen, Maastricht, Gors-op-Leeuw en Heer).
In 1792 werd hij ingeschreven als burger van Maastricht.

Links van de vestibule ligt de eet- en woonkamer met een eenvoudige marmeren schoorsteenmantel uit de 18e eeuw.
De eikenhouten trap naar de verdieping is in Lodewijk XV stijl uitgevoerd.
De diepe kelders onder het gebouw zijn zeer merkwaardig.
Ze hebben zware op bijzondere wijze geconstrueerde gewelven en ze liggen op ongelijke hoogte, de tweede en derde kelder liggen n.l. dieper dan de eerste.

In het voormalige koetshuis is nog een 18e eeuwse (?) schoorsteen met tegels aanwezig.
Voor het huis ligt een zeer grote platte steen, die in Heer gevonden is bij het aanleggen van de waterleiding aldaar, en die door de goede zorgen van de heer Max van Heyst naar de Croon is overgebracht.

Het is niet onmogelijk, dat men hier te doen heeft met een vroeg Germaanse offersteen, een gedeelte schijnt recht afgekapt te zijn en boven in de steen zijn twee holten aangebracht (voor offergaven?).
Door een gesmeed ijzeren hek komt men in een boomgaard ten Zuiden van het huis gelegen.
Hier lag vroeger een bos, waarvan men het middengedeelte onbeplant had gelaten en waardoor een doorkijk werd verkregen van uit de Gaginizaal op het Zuidelijk heuvellandschap.

In de Zuidelijke muur, welke de evengenoemde weide van de tuin scheidt, zijn enkele inschriften aangebracht, het tweede zeker in de wereldoorlog 1914-1918, toen Belgische vluchtelingen in de Croon een tijdelijk onderkomen hadden.

Het eerste luidt „Deutschland über alles' aangebracht om een gewoon rechtarmig kruis, het tweede: „Jean Habets, Moïis, ici on entend le canon de Verdun Mars 1916.

Bedoeld wordt, dat men op die plaats het geschut kon horen van de artillerie duels en het trommelvuur van de gevechten om Verdun.
Een feit, dat ook elders o.a. in het Geuldal bij Houthem is waargenomen, in die tijd.

De "Croonenhof", zoals dit goed omstreeks 1570 genoemd werd, had toen een oppervlakte van. 65 á 70 bunder land en weiden.
Wij leidden deze grootte af uit'de verkoop van een gedeelte daarvan in 1646, op welke overdracht wij hierna nog zullen terugkomen.
Het grootste deel der landerijen en het huis lagen verspreid over de schepenbank Heer, kleinere delen ervan hoorden tot de vrije Rijksheerlijkheid Gronsveld en de daartoe behorende schepenbank Heugein. Juridisch hadden de eige naars dus met drie verschillende jurisdicties te maken.

Het goed is meermalen de grote „winhof" van Heer genoemd in oude inkomsten-registers der Kerk.
Onze chronologische gegevens omtrent de eigenaren gaan feitelijk slechts terug tot 1570, doch wij kennen nog wel enkele namen van vroegere bezitters.
Toen n.l. Marie Sophie Sutendael een gedeelte der landerijen tot de Croon behorend (?) in 1690 vrijwillig verkocht, moes ten door de rechthebbenden de lasten en aanspraken daarop worden opgegeven).
Hierbij was ook een opgave der rechten verschuldigd aan de pastorie van Heer.

Volgens een register aangelegd door pastoor Grueninx, die in 1586 te Heer fungeerde, waren n.l. achtereenvolgens eigenaren Servatius Heckers, Claes Visschers, Margaretha Huebbens en in 1586 Dionys Sutendael in de Croone, burgemeester van Maastricht.
Vermoedelijk heeft deze laatste zijn winhof naar zijn woonhuis te Maas tricht gelegen, de Cronenhof, gedoopt. Dionysius Sutendael komt reeds c. 1570 als eigenaar voor in een rentenregister der kerk van Heer uit genoemd jaar).
In welke tijd die vroegere eigenaren de Croon bezeten hebben, is niet vermeld; wij veronderstellen dat deze met de boven genoemde opsomming wel tot het jaar 1500 terug zullen lopen.
Dionysius Sutendael behoorde tot een vooraanstaande Maastrichtse familie. Hij was brabants gezworene in 1566, 1581, schepen in 1586, ontvanger in verschillende jaren tussen 1561 en 1583, burgemeester in 1584-1585. Hij stierf te Maastricht op 19 Februari 1600.

Zijn vrouw was Anna (of Marie) van Sieben, geboren in 1524 en overleden op 25 November 1603 ).
Na zijn dood is de Croon eigendom geworden van zijn zoon Dionysius Sutendael, die gehuwd was met Sophie van den Ertweg.
Dit echtpaar had vermoedelijk vier kinderen, n.l. Hendrik Sutendael, eveneens een Maastrichtse magistraat, gehuwd met Maria van Raede, Gerard Sutendael gehuwd met Catbarina d'Ans, Mechlild Suten-da cl in 1618 gehuwd met Laurent Meys en Dionysius Sutendael kanunnik van het St Servaaskapittel te Maastricht.
De Croon bleef lange tijd onverdeeld.
Wij leidden dit o.m. af uit een pachtcontract van de Croon, dat de eigenaren op 22 December 1632 met Jan Waelpot, gerechtsbode van Heer, afsloten). Jammer genoeg worden in dat stuk niet alle eigenaren genoemd.

Juffrouw Sophie van den Ertwech, weduwe van wijlen Dionys van Sutendael, Hendrik van Sutendael, oudt-burgemeester van Maastricht en Dionys Meyss (zoon van Laurent, hierboven genoemd), pensionaris van Maastricht, treden daarin n.l. op voor zich zelve en voor de niet met name genoemde medeberechtigden.

Wij laten hier enkele voorwaarden volgen uit dit een jaarlijkse contract.

Waelpot had als goede pachter er voor te zorgen dat de landerijen gemest werden, zover de mest reikte, die op de hoeve aanwezig was. Evenals de aan grenzende eigenaren moest hij de landerijen met behoorlijke voren omploegen, inzaaien en de granen op de juiste tijd maaien en in de schuur brengen voor de helft en ter rechter tijd.
De andere helft van het graan was voor de verpachters. De weiden moest hij „tuynen" d.i. de heggen aanbrengen en onderhouden en als pacht 12 gulden per bunder weiland betalen.
Hij zou het huis mogen gebruiken mits hij de wanden behoorlijk dicht maakte. Het houtwerk zou door de verpachters daartoe geleverd worden. Het zaadkoren zouden de verpachters leveren, uit de volgende oogst zouden zij vooraf de helft daarvan terugkrijgen, waarna de rest gelijkelijk verdeeld zou worden.
De pachter moest een dorsser aanstellen.
De rest van de voorwaarden is onduidelijk door de beschadi ging van het papier.
Alleen kan men nog eruit opmaken, dat de pachter verantwoordelijk was voor zijn familie en personeel voor alle schade, vermoedelijk tengevolge van onvoorzichtigheid met vuur.

In 1646 waren nog verschillende personen als eigenaar gerechtigd in de Croon en was het goed niet gedeeld.
Immers op 13 Augustus 1646 verkocht Dionysius Sutendael gehuwd met Geertruid Heusch, zoon van de hiervoor genoemde Hendrik en Maria Raedts, een vierde en twee zesde delen van een vierde samen groot 17 bunder en acht grote roeden aan de Eerw. Heer Reinerus Meys, deken en kanunnik van het St Ser vaaskapittel, diens broer Gerard Meys, wonende te Rome en aan juf frouw Maria Meys, weduwe van Jan Willem van Eyll, dochter van Laurent Meys en van Mathilde van Sutendael en dus kleindochter van Dionysius (van) Sutendael en Sophia van den Ertwegh ).

Te voren schijnen reeds moeilijkheden ontstaan te zijn met de andere gerechtigden in de boedel, want op 3 September 1643 verklaart notaris Lamb. de Vaulx op verzoek van Catharina d'Ans, weduwe van Gerard van Sutendael, een verbod geïnsinueerd te hebben aan de toenmalige pachter Hendrick Waelpots om de renten, die aan wijlen haar man uit de Croo-nenhof toekwamen, aan niemand anders dan aanhaar zelf te betalen ).

De genoemde weduwe was vruchtgebruikster van het goed en haar dochter Marie Sophie van Sutendael eigenaresse.
Deze laatste verpachtte de Croonenhof voor 1/3, haar aandeel daarin, groot 21 bunder 1 groot en 17 klein roeden tegen 14 vat rogge per bunder aan genoemde Hendrik Waelpots van het jaar 1651 af tot 1664 ).
De Croon bleef een steen des aanstoots. Van 1658 af tot na 1661 zijn n.l. diverse processen gevoerd door leden der familie van Eyll tegen de meergenoemde Catbarina d'Ans voor de Commissarissen-Deciseurs en de schepenbank Heer. Zoals uit deze langdradige gedingen blijkt, had de kanunnik Dionysius van Satendael een fideicommis willen maken van de Croon en ook hiertegen verzette Catharina d'Ans zich heftig.

Doordat Marie Sophie van Sutendael in het St Walburgiskloosler te Luik was getreden, trachtte licentiaat Laurentius van Eyll zich in liet bezit te 6tellen van enige van haar goederen en vorderde hij in bezitstelling van het derde deel van de Croon op 2 Juni 1661).

Hoewel dit niet uit drukkelijk in de rolle der processen vernield staat, de losse stukken, die meer licht hadden kunnen werpen op deze ingewikkelde manipulaties, zijn helaas niet meer aanwezig, menen wij het volgende te mogen ver onderstellen.
Door haar intrede in het klooster was Marie Sophie van Sutendael „civiliter" dood en moest het goed terugkeren in het fidei commis, door kanunnik Dionysius van Sutendael ingesteld.
De moeder van Marie Sophie, Catharina d'Ans, die door een kerkelijk proces van haar man Gerard van Sutendael van tafel en bed gescheiden was, welk scheidings-proces zelfs tot de Sacra Rota Romana te Rome was gevoerd, zegt n.l. op 4 December 1664), dat al ware het fideicommis geldig, de heer Laurentius Willem van Eyll dan nog geen aanspraak kon maken op die goederen door de dood van Marie Sophie van Sutendael "tzy civile ofte naturelle", als zijnde niet tot dat fideicommis gerechtigd.

Bij vonnis door de schepenen van Heer gewezen werd licentiaat van Eyll in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de helft der kosten.
Van dit vonnis appeleerde van Eyll op de elf banken en tenslotte bracht Catharina d'Ans het proces in hoogste instantie voor de Commissarissen-Deciseurs te Maastricht.
Het eind van deze kostbare processen was tenslotte een over eenkomst, die te Luik gesloten werd op 24 November 1670 ).
Deze werd aangegaan tussen kanunnik Alard Laurent van Eyll, ridder van bet Roomse Rijk, heer van Jonkholt en Hoelbeek, enz. ter eenre en Juffr. Catharina d'Ans, weduwe van Gerard van Sutendael, en haar dochter Marie Sophie van Sutendael.

Nogmaals werd door beide laatst genoemden vastgesteld, dat zij de aanspraken der tegenpartij niet erkennen en dat zij zich niet tot erfgenamen willen verklaren van wijlen kanunnik Dionysius van Sutendael noch van Gerard van Sutendael noch van Sophie van den Ertwegh, moeder der twee laatst genoemden.
Zij erkennen bovendien niet de testamenten door deze laatsten gemaakt. De aanspraken van Catharina d'Ans vloeiden voort uit de huwelijks voorwaarden met wijlen haar man, Gerard van Sutendael.

Na ampele onderlinge beraadslaging, wellicht na een smakelijk diner en een goede fles, werd tot het volgende besloten. Catharina d'Ans en baar dochter zouden aan de van Eyll's 8000 brabantse gulden uit* betalen, waartegen deze laatsten dan zouden afzien van hun rechten voortvloeiend uit het fidei-commis. Bovendien deden zij afstand van alle rechten, welke konden voortvloeien uit de genoemde drie testamenten of anderszins.

Zij gaven echter geen waarborg voor eventuele evictie (terugkoop) door hun zwager, Michel d'Aubrebis, weduwnaar van hun zuster, wijlen Anna van Eyll. Hiermede eindigde deze familietwist en behielden Catharina d'Ans en haar dochter hun aandeel in de Croon.
In 1667 had Catharina d'Ans een groot aantal stukken land tot de Croon behorende verpacht aan Den is Tants, die in 1676 nog pachter was, immers toen betaalde hij namens Catharina d'Ans nog de cijns verschuldigd aan de kerk van Heer).
Het aandeel van de van Sutendaels in de Croon eindigde met de vrij willige verkoop van een derde gedeelte der landerijen, daartoe behoren de, door Marie Sophie van Sutendael.
Bij opbod, op 3 zitdagen te Heer gehouden, gingen de goederen op 14 December 1690 definitief over aan diverse eigenaren. Alard Laurens van Eyll, rijproost, kocht er een gedeelte van. De zeven vat rogge, aan het St Anna altaar in de kerk van Heer verschuldigd, werden op andere goederen gevestigd).
De Croon werd in 1699 verpacht aan Frangois Malaize (Malhes) voor de tijd van zes jaar. Deze laatste had niet veel geluk, wellicht ook al niet tengevolge van de woelige tijden, immers in die periode had ook Heer veel te lijden van doortrekkende troepen.
Hij bleef verschillende jaren een gedeelte der pachtsom schuldig en moest daarvoor op 13 September 1707 zijn granen verpanden aan Laurentius van Eyll).

De Croon bleef sindsdien tot 1822 in bezit der familie van Eyll.
Na de dood van Laurens Willem van Eyll c. 1729 is ze overgegaan of op zijn zoon Alard Willem van Eyll, echtgenoot van Isabella Stocx of op zijn kleinzoon Willem Laurent van Eyll, geboren 9 Juli 1705 te Schalk hoven.

Deze laatste was in 1731 kanunnik van het St Servaaskapittel te Maastricht en in 1742 scholasticus van het kapittel en rijproost van de heerlijkheden Berg en Heer.
Hij verpachtte de Croon, toen groot 36 bunder, 16 groot en 16 klein roeden akkerland en 8 bunder, 14 groot en 19 klein roeden weide, op 25 November 1762 met ingang van 15 Maart 1763 aan Frans Coninx , Jongman" en inwoner van Heer, voor zes jaar tegen een pacht in geld van twaalfhonderd gulden, voor de helft te betalen op St Remigius (1 October) en op 15 Maart.
Uit deze pachtakte blijkt, dat de rijproost er twee paarden, twee koeien en twee varkens op na hield, waarvoor de pachter het groenvoer, rapen (bieten) en wortelen moest leveren.
Hiervoor kreeg laatstgenoemde 5% groot roeden land extra zonder pacht.
De voor waarden waaronder deze pacht werd aangegaan, verschilden in het al gemeen niet met de gewone pachtcontracten van die tijd.
Zo mocht o.m. de pachter geen stro noch mest verkopen, hij moest de landerijen in hun juiste begrenzing houden, vier vrachten doen voor de verpachter voor

kolen, kalk en bomen en alle kleine vrachten naar Maastricht. Vreemd, zgn. scharvee, mocht hij niet houden, enz.)In 1764 stond de rijproost zijn kannunikaat af aan zijn neef Allard Jan Joseph van Eyll. Reeds op 7 juni 1768 was de Croon in beheer overgegaan op deze laatste, zoals uit een aantekening op het pachtcontract van 1762 en uit het nog bewaard gebleven quitantieboekje van pachter Frans Coninx blijkt.

Formeel is de Croon op 19 April 1771 ten overgaan van notaris J. Hennen te Luik verkocht door: Marie Ursule van Eyll. geboren d'Auvin,Guillaume Alard Nicolas van Eyll de Joncholt.
Maria Theresia van Eyll de Joncholt. Antoine Joscph d'Oyo. echtgenoot van Claude Henriette van Eyll aan de kanunnik van het St Servaaskapittel Alard Jean Joseph van Eyll de Joncholt.
Het goed bestond uit de boerderij in pacht bij Frans Coninx en het herenhuis, met remise, stallen, tuinen, bos, 2 kleine roeden boomgaard, in huur bij een kolonel genaamd Smit.
De koopprijs bedroeg 43000 luikse gulden. De koper zou het genot echter eerst krijgen na de dood van zijn moeder, die het vruchtgebruik had).

Coninx stierf op de Croon op 10 Augustus 1784 en was dus gedurend twee en twintig jaar pachter.
Zijn weduwe Anna Sihilla Meesen (in het plat Heers: Misen) zette het bedrijf voort en ging in 1794 een nieuw contract aan met kanunnik A. J. J. van Eyll voor notaris A. M. Gudi)
De grootte van het goed was toen drie en vijftig bunder in totaal met de zgn. Eyckart. De verpachter behield voor zich o.m. de peren en kastanjebomen in de huisweide zijnde eenen dreef (laan) van het gemeente broek tot aan den heerenhuys".
Er liep dus een laan van het Broek (deBurcht), naar het huidige goed Eyll.
Volgens getuigenissen van de inwoners van Heer liep deze voor het herenhuis door tot tegenover het nog aanwezige hek van Opveld (in de afsluiting langs de tegenwoordige weg naar bronsveld). Men kon dus met koets en paard van Opveld langs Men kon dus met koets en paard van Opveld langs de Croon en de Burch, naar Maastricht komen. De pachtprijs bedroeg 1950 gulden branbants (d.i. circa de helft in onze tegenwoordige munt).
De voorwaarden waren nagenoeg dezelfde als in 1762.
Als lasten op de Croon rustende werden in dit contract genoemd:
9 vat 2 koppen rogge aan de kerk van Heer,
16 vat 2 koppen rogge aan de pastorie,
aan het kappitel van O.L. Vrouw te Maastricht 2 vat 3 koppen tarwe en 2 stuiver cijns,
aan de armen van St. Maarten te wijk 2 vat rogge,
aan de groten H. Geest te Maastricht 1 vat 3 koppen 2 molsters rogge,
aan de chorale van St. Servaas 19 kapoenen en 15 alden groten,
en tenslotte aan het kapittel van St. Servaas 19 kapoenen, 10 schellingen en 5 alden groten cijns.
Dit alles moest door de pachteres betaald worden. Ook moest zij de bedrijfsschat betalen evenals cijns onder Gronsveld en Heugem.

De reëele belasting van de landerijen enz. geheven, werden voor de helft betaald door beide partijen.
De pachteres moest verder leveren en vervoeren 20 vat boekweit, 30 vat haver en acht karren mest voor de tuin van de verpachter.
De mest, welke de verpachter in het dorp nog zou aankopen, moest ook door de pachteres vervoerd worden.
Het stro en groenvoer voor de paarden van logé's van de verpachter moest gratis geleverd worden, evenals alle melk voor het huishouden van de ver pachter, echter niet de boter.
Tenslotte kreeg de verpachter jaarlijks een vet varken van 100 KG of 40 gulden.
Voor de te leveren boekweit, haver, varken en melkproducten werden de volgende sommen van de pachtprijs jaarlijks afgetrokken.
Voor de 20 vat boekweit 20 gulden; voor 30 vat haver 15 gulden 15 stuiver; voor het varken 40 gulden en voor de melk 15 gulden.
Evenals in 1762 werd aan de pachteres de verplichting opgelegd zich van het nodige hout te voorzien om te voorkomen, dat de bakoven met stro gestookt zou worden.
Dit laatste moest zoveel mogelijk tot mest worden omgevormd.
Mocht de hof door brand verwoest worden, dan zou, wanneer deze door de verpachter zou worden opgebouwd, de pachteres gratis de bouwmaterialen moeten vervoeren.

Zes bunder moesten elk jaar braak blijven.
Bij het verlaten der hoeve kreeg de pachteres de helft der granen, doch stro en kaf van het geheel was voor de nieuwe pachter, die ook alle mest, op de hof aanwezig, kreeg.
In 1807 werd op 28 April weer een pachtcontract aangegaan voor twaalf jaar.
De pachtprijs bedroeg toen 2431 franken en 14 centimen voor 42 hectaren 38 aren en 60 centiaren.
Ten opzichte van de cijnsen en tienden die, zoals bekend, waren afgeschaft, werd bepaald, dat zo deze weer zouden worden ingevoerd, de pachteres deze zou moeten betalen, zoals voorheen.
Het braakland werd nu op 8 bunder bepaald.
In het laatste pacht jaar zou de pachteres bovendien drie bunder klaver zaaien voor de nieuwe pachter.
Het pachtcontract is vernieuwd op 8 Maart 1811).
Anna Sibilla Meesen overleed op 22 November 1811 op de Croon. Intussen was haar dochter Maria-Agnes op 26 Mei 1786 gehuwd met Peter Mathijs Roebroeck, die van toen af bij zijn schoonmoeder inwoonde, het bedrijf mede beheerde en na haar dood de pacht overnam.
Toen het Pruisische leger onder Blücher in 1815 naar Waterloo trok tegen Napoleon, kreeg de Croon ook inkwartiering.
Dat de verstand houding toen anders was, dan in de laatste oorlog tussen de Pruisen en de inwoners laat zich begrijpen.


Dit blijkt uit een brief van 13 Augustus 1815, die door M. H. Mangolt, „Rendant beim konigl. Preussischen fliegenden Feldlazaretb no. 10 beim 4e Armee Corps", gericht aan pachter Roebroeck van de Croon, waar Mangolt ingekwartierd was geweest Van uit C har tres schreef hij, hoe hij daar terecht gekomen was en zeide, dat ze Napoleon eindelijk overwonnen hadden.
Hij vroeg hulp voor de lieden, die de twee koffers kwamen halen, die bij de naburen waren achtergebleven.
Hij dankte voor al het goede, dat hij bij de pachter genoten had en bracht de groeten van de majoor en alle kameraden).

De ex-kanunnik Alard Joannes Joseph van Eyll overleed de 26e Juni 1817 te Maastricht op acht en zeventig jarige leeftijd.
Hij was zoon van Alard Laurentius Adriaan van Eyll en van Maria Ursula D'Auvin.
Zijn moeder overleed op de Croon de 28e Juni 1792 en werd op 1 Juli d.a.v. in het koor der kerk (thans school) van Heer begraven 580).

Zijn erfgenamen n.l. zijn zuster Marie Jeanne Thérèse van Eyll en de nakomelingen van zijn broeder Willem Alard Nicolaas van Eyll en die van een andere zuster Claudine Henriette van Eyll, welke gehuwd was met Antoon Joseph d'Oyo, hebben de Croon enkele jaren later verkocht.
Bij akte verleden voor de Maastrichtse notaris F. van der Houven op 25 April 1822 ging de Croon, in totaal c. 52 bunder of c. 48 hectaren groot, over aan baron F. G. M. de Dopff, echtgenoot van baronesse M. Th. E. de Matta, voor de som van 55.440 gulden 600).

Ook na de dood van kanunnik Alard J. J. van Eyll bleef Peter Mathijs Roebroeck als pachter op de Croon en hij vernieuwde met ingang van 15 Maart 1823 zijn pacht ook met de nieuwe eigenaar, baron de Dopff.
De voorwaarden waren nagenoeg gelijk als in de voorgaande pachtcon* traden, de pachtsom bedroeg 1431 francs.
Peter Mathijs Roebroeck, de forse typische pachter, die tot zijn dood in 1844 de 18e eeuwse korte broek en schoenen met zilveren gespen droeg, gaf in 1841 de hoeve over aan zijn twee ongehuwde zonen, Thomas Hubert en Jan Peter Roebroeck.

Met deze beiden ging de douairière de Dopff met ingang van 15 Maart 1841 een nieuw pachtcontract aan.
Tot zijn dood in 1877 bleef Thomas Hubert pachter op de Croon, waarna zijn neef, die reeds sinds 1842 bij hem verbleef, nog tot 1881 op de Croon bleef wonen.
Door de omstandigheid, dat wij de beschikking kregen over oude pachtcontracten en andere stukken afkomstig van Thomas Hubert Roebroeck, waren wij in staat deze bijzonderheden mede te delen, als kleine bijdrage voor de landbouwgeschiedenis van Heer.
Ze werden ons welwillend ter beschikking gesteld door Mevrouw Hoeberechts-Roebroeck te Maastricht, op de Croon geboren, die wij hier gaarne onze welgemeende dank hiervoor uitspreken. In 120 jaar was deze kapitale hoeve slechts aan twee, aan elkaar verwante, families verpacht geweest, aanvankelijk aan de Coninx en daarna aan de Roebroecks, een bewijs dat de verhouding rossen pachtheer en pachter toen uitstekend was.

In 1808 was het herenhuis verhuurd aan Eustache Servais Veugen, o.a. ontvanger-generaal der belastingen in franse dienst en later burgemeester van Heer).
De douairière de Dopff overleed te Heer op de Croon in 1860. Zij was een vrome, weldoende vrouw, waaraan menige minderbedeelde inwoner van Heer zeer veel te danken had.
Daarna ging het goed over op haar dochter A. M. Elisabeth die gehuwd was met P. F. L. S. burggraaf dn Pare en van welk echtpaar verschillende kinderen op de Croon geboren werden. In 1906 werd de Croon aangekocht door Zusters Augustinessen, die het goed op hun beurt weer verkochten aan de Eerwaarde Paters Jezuïeten uit België tot een eventueel toevluchtsoord; het is echter nooit klooster geweest. (Wij citeren hier letterlijk het memorieboek van pastoor Heynen).

Het herenhuis heeft van 1911-1912 tijdelijk gediend tot verblijfplaats van het voogdijgesticht St Joseph.
In 1919 ging het gehele goed in eigendom over aan de Hr J. Schreurs te Heerlen, die het enige jaren bewoonde en het verkocht aan de ELH. J, J. C. Brouwers en N. N. van de Boorn. Het herenhuis is in 1929 aangekocht door de Hr Mr J. van Heyst, die het in 1952 overliet aan Ir C. Darley.

Deze laatste heeft het oude hui» geheel gemoderniseerd, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van oud materiaal, en het oude, kunstvolle op lofwaardige wijze behoudend.
Het volgende verhaal danken wij gedeeltelijk aan mondelinge mededelingen van de hiervoorgenoemde Mevrouw H. Roeberechta-Roebroeck en gedeeltelijk aan een artikel "Heer in den Franschen tijd" van H. v. H. (Heynen van Heer?) m), dat ons welwillend ter inzage werd verstrekt door de Heer Max van Heyst.
Zoals bekend werden de priesters door de nieuwe Franse heersers gedwongen een eed van trouw aan de Republiek en van haat aan het koningschap te zweren, welke niet strookte met de katholieke moraal.
Geen katholiek immers mag een eed van haat tegen zijn evenmens afleggen.
Nagenoeg alle geestelijken weigerden dan ook en in vele gevallen zijn de weigeraars tot deportatie o.m. naar het eiland Re veroordeeld of hebben andere vervolgingen te verduren gehad.
Ook pastoor Lousberg van Heer behoorde bij de weigeraars en op 4 Augustus 1798 werd hij tot deportatie veroordeeld.
Twee franse gendarmen namen de pastoor gevangen en waren reeds onderweg met hem naar Maastricht.
Het was omtrent het middaguur en op de Croon zaten de knechten en meiden om de lange tafel gereed voor het middageten, toen dit nieuws ook daarbekend werd.

Bij de weduwe Coninx van de Croon vond hij zijn schuilplaats, waar hij in een afgelegen vertrek verbleef en 's nachts bij de knechten in de paardenstal sliep, zonderdat veel inwoners wisten, waar hij zich schuil hield. Heel in het geheim werd de H. Mis door hem opgedragen op een bovenkamer van de Croon, genaamd "de kopere knoep"). Hierbij waren slechts enkele getrouwen aanwezig om opspraak te vermijden. Als boerenknecht verkleed bezocht hij de zieken en stervenden der parochie om hun laatste H. Sacramenten toe te dienen. De kinderen werden op de Croon gedoopt en als getuige fungeerde daarbij slechts één kerkmeester. Het kon echter niet uitblijven, dat zijn verblijf op de Croon bij zijn parochianen bekend werd. Geen enkele verlaagde zich echter om bij de Franse ambtenaren verrader te gaan spelen. Met Kerstmis waren meerdere parochianen uitgenodigd om in stilte op de Croon de H. Mis bij te wonen. Terwijl de gelovigen ter H. Tafel naderden zong Eva een kleindochter van de pachteres het volgende kerstlied:

"Conti verwondert U hier mensen
Siet hoe dat U God bemint
Siet vervult der sielen wensen
Siet dit nieuw geboren Kindt,
Siet die 't Woord is sonder spreken
Siet die Vorst is sonder pracht
Siet die 't al is in gebreken
Siet die 't licht is inde nacht.
Siet die 't goet is dat soo soet is
Wordt verstooten, wordt veracht".

Plotseling werd er echter buiten geroepen en zinspelingen gemaakt op verzamelingen van „katholiek gespuis".
Er scheen toch iets uitgelekt te zijn, wat wel niet anders kon.
De moedige Jan van Proumeren ging gewapend met een flinke stok door een zijdeur naar buiten en gaf de rustverstoorder enkele slagen, die hem buiten gevecht stelden.

De pastoor begreep, dat hij thans gevaar liep om gevat te worden en dat hij dus van onderduik-adres moest veranderen.
Ook nu ging hij niet ver weg.
Een klein huisje in de buurt der tegenwoordige kerk, waar hij in alle stilte verbleef, diende hem tot schuilplaats. Bij het bouwen der nieuwe kerk in 1905 vond men een soort kelder, die tot onder de weide van de tegenwoordige pastorie liep.
Dit hol of kelder had gediend voor schuilplaats van Pastoor Lousberg.

Deze vlucht was gemotiveerd, want reeds de 2e Kerstdag verscheen de franse politie op de Croon, die ze geheel, maar tevergeefs, doorzochten. Pastoor Lousberg overleed op 10 Januari 1806.
Wij hebben gemeend deze avontuurlijke geschiedenis te moeten vast leggen, en al zullen de feiten misschien in onderdelen niet juist zijn, zo geven ze toch een beeld van het woelige en voor ons katholieken minder prettige begin der franse overheersing.